Bomma Patatjes gaat inwonen bij de ouders van S. Dus gisteren was het grote opruimactie want de slaapkamer van de ouders van S. verhuisde naar een kamer boven en op de vrijgekomen kamer moest een gezellig plekje voor de bomma worden ingericht.
Mensen! Heb ik me daar toch iets wonderbaarlijks ontdekt! Een wetenschappelijke
discovery van formaat. De slimmeriken van alle universiteiten van alle landen van heel de wereld gaan mij nog eeuwen dankbaar zijn.
Het zit zo: er zijn mensen zonder Weggooi-gen! Echt, ze bestaan! Ik heb ze van dichtbij gezien. Het zijn zéér bizarre wezens die fysiek gewoon niet in staat zijn tot wat ik met de paplepel heb meegekregen, namelijk: dingen die je meer dan twee jaar niet meer hebt gebruikt weggooien. Gewoon, hupakee, weg ermee. Je hand openen, het weggooibare spul richting vuilzak keilen en
foetsjie!
Easy peasy! Want rommel in je huis = rommel in je hoofd.
Maar niet zo ten huize S. blijkbaar. Ik wist dat natuurlijk al langer van mijn schoonmoeder. Maar ik dacht dat dit misschien inherent was aan schoonmoeders. Sentiment om kinderschriftjes en nierstenen en inkomticketjes en kapot speelgoed en gescheurde treinbiljetjes en eerste tandjes en plukjes haar van dode honden. Maar nu bleek dat ook de broer en zeker het lief van de broer niet over dergelijk -toch wel bijzonder handig- gen beschikken. Mensen, ik keek me de ogen uit mijn kop.
Ik kan werkelijk niet begrijpen dat je het hartverscheurend vindt om een doodgewone poster van Groezrock negentienhonderdzesennegentig weg te gooien. Hopla, bij het oud papier, zeg ik dan. Oude t-shirts, met tientallen tegelijk, dat kan toch niet zo moeilijk zijn? Recepten, soms zelfs in viervoud,
deleten die handel!
Soms onderga ik een poging tot hardnekkig doorvoeren van het Weggooi-gen. Ik blijf halsstarrig doen alsof het toch mogelijk is om iemand er bacteriegewijs mee te besmetten. Alsof ik het kan doorgeven door eens lekker op mijn schoonfamilie te hoesten.
Maar het lukt me niet. Mensen, mensen, het lukt me niet.
Ook al zegt S. aan zijn moeder dat die volledige doos oude kleren weg mag naar de kindjes in Afrika, staat de doos bij ons volgende bezoek weer op de plek waar-ie altijd al stond. "Ja, maar, de tante van de vriendin van de nonkel van de bakker kan daar nog wel iets mee doen."
Gooi ik tijdens het triljoen-recepten-sorteren een gedateerd exemplaar in de prullenmand: schoonmoeder C. heeft het ding al onderschept vooraleer het de bodem van de vuilbak heeft bereikt. "Ja, maar, dat ga ik misschien ooit nog wel eens gebruiken hoor!"
Ik geef het op. Ik vrees dat S. en ik een Vreselijk Snodaardig Plan moeten gaan verzinnen om het Weggooi-gen alsnog te implementeren bij schoonmoeder, -broer en -zus.
De schoonvader heeft geluk: hij heeft het gen aan S. doorgegeven (
thank god!). Hij moet dus niet bang zijn. Maar de andere drie.. pas op als je me 's nachts nog eens tegenkomt in de gang.
Het zal niet zijn om naar het toilet te gaan.