Ik wel.
Ik lag op de materniteit -al een uur of tien, om precies te zijn. Maar er gebeurde daar niet veel.
Wij wachtten af.
Wij lazen roddelblaadjes.
Wij aten pasta uit een plastieken bakje van het winkeltje aan de overkant.
Ik checkte om de haverklap of mijn sexy ziekenhuis-onderbroekje nog niet op mijn knieën was gezakt.
Wij logen tegen onze (schoon)ouders dat we op restaurant zaten om hen niet ongerust te maken.
We luisterden naar de monitor.
Ik dacht: "Amai, als dit het is, dan heb ik wel een hoge pijngrens, dat valt mee."
En af en toe bekeken wij elkaar eens en beseften we plots dat we daar met eentje meer zouden buitengaan dan we waren gekomen.
Een goeie twee uur later. Toen begon het pas goed.
Toen dacht ik: "Amai, ik héb geen pijngrens."
En mijn man sprong nog een metertje achteruit door mijn gevloek en mijn lelijke woorden.
Ik zie hem nog zo staan, technisch werkloos, met de douchespuit in zijn handen en ik in het hoekje van de douche, omdat ik niet wist waar ik moest kruipen.
Enfin.
Hoewel ik mij alles nog levendig herinner, ga ik u de details besparen.
Want het was niet mooi. Nee.
Geef toe, toch sympathiek van mij, he?
Nog vier uur later kwam er een Reddende Engel, ook wel gekend als de Man met de Spuit.
I love de Man met de Spuit. Ik snap eigenlijk niet hoe iemand ooit is kunnen bevallen zonder de Man met de Spuit. Maar goed.
Trouwens, wist u dat een vrouw in het kraambed de onnozelste dingen uitkraamt (ha, ha)? Ik herinner mij dat ik het zo erg vond dat we die man om vier uur 's nachts uit bed moesten bellen.
Ochottekes toch.
Na het bezoek van de Man keerde de rust weer terug, maar slapen konden we nog altijd niet. En dan duurde het nog zeven uur voor het voorbij was!
Dus konden we niets anders doen dan wachten.
En wachten.
En wachten.
En de kleertjes voor de baby nog eens goed leggen.
En wachten.